Mobiliteit&Fiscus | bijtelling voor personeel ook bij lage autokosten forfaitair

Redactie Redactie
• Laatste update:

“De bijtelling voor privégebruik is wettelijk gezien een percentage van de catalogusprijs. Voor niet-elektrische auto’s met een Datum Eerste Toelating in 2017 is dat bijvoorbeeld 22 procent. Dat percentage is door de wetgever bedoeld als ‘forfaitaire’ regeling: de werkelijke kosten en het werkelijke privégebruik doen er niet toe. Wel kan bij ‘excessief privégebruik’, zoals dat wet dat noemt, de bijtelling op een hóger percentage vastgesteld worden. Maar de vraag gaat over de omgekeerde situatie: de bijtelling pakt onevenredig zwaar uit omdat de autokosten lager zijn dan het bijtellingsforfait.

Correctiepost

Voor ondernemers met een eigen auto van de zaak geldt daarvoor op grond van de jurisprudentie inderdaad dat de bijtelling gemaximeerd wordt op de autokosten. De logica daarvan is dat de bijtelling voor hen eigenlijk een correctiepost is op de aftrekpost voor de autokosten, namelijk voor zover de autokosten voor privédoeleinden gemaakt zijn. Dat deel kan logischerwijs niet hoger zijn dan 100 procent.

Tegenbewijs

Bij personeelsleden ligt dat anders. Zij maken immers zelf geen autokosten (de eigen bijdrage voor privégebruik daargelaten). De maximering op de werkelijke autokosten geldt dus niet voor hen. Ook voor de werkgever zijn er helaas maar weinig mogelijkheden. Pas als de auto 15 jaar oud is, geldt wettelijk een lagere bijtelling. Die wordt dan 35 procent van de werkelijke waarde. Voor auto’s die nog geen 15 jaar oud zijn is er geen tegenbewijsmogelijkheid tegen de hoogte van de forfaitaire bijtellingspercentages. Ook hoeft de wetgever niet zo’n tegenbewijsregeling in te voeren. Dat heeft de Hoge Raad der Nederlanden onlangs geoordeeld.

Beschikking

In die zaak draaide het om naheffingsaanslagen voor de bijtelling. Een bedrijf had die gekregen over een aantal jaren waarin dit bedrijf jaarlijks gemiddeld ongeveer negen auto’s gebruikte, die vooral ingezet werden voor het bezoeken van cliënten thuis. De auto’s werden afwisselend door verschillende werknemers gebruikt. Zij hielden geen rittenregistratie bij.

Bij wisselend gebruik is het de vraag of de auto’s ter beschikking staan in de zin van de bijtelling. In dit geval bleken de auto’s wel aan de werknemers ter beschikking te zijn gesteld: werknemers konden binnen zekere grenzen zelf de manier van gebruik van de auto’s bepalen. Bovendien werden de auto’s ook privé gebruikt, hoewel dat officieel niet toegestaan was.

Wanverhouding

Het bedrijf had gebruikte auto’s gekocht tegen lage aanschafprijzen, waardoor de totale autokosten van de werkgever in verhouding erg laag waren. In de naheffingsaanslag werd echter voor de meeste auto’s bijtelling berekend over de nieuwprijs. Daardoor ontstond een wanverhouding tussen de bijtelling en de werkelijke kosten.

Een tegenbewijsregeling tegen de hoogte van het bijtellingsforfait zou die wanverhouding kunnen corrigeren. De Hoge Raad oordeelde echter dat de wetgever “om redenen van eenvoud, doelmatigheid en praktische uitvoerbaarheid ervoor gekozen het belastbare voordeel van een ook voor privédoeleinden ter beschikking gestelde auto op forfaitaire wijze te bepalen, waarbij ter vermijding van conflicten, administratieve lasten en met het oog op de gewenste eenvoud is afgezien van een uitgebreide tegenbewijsregeling”. Volgens de Hoge Raad is deze keuze van de wetgever “niet van elke redelijke grond ontbloot. Gelet op de ruime beoordelingsmarge die de wetgever op het terrein van het belastingrecht toekomt” is dat daarom toegestaan.”

Jan Rolleman is fiscalist bij AMD Automotive ­Fiscalisten. Hij houdt zich dagelijks bezig met ­belastingzaken en ­juris­prudentie over mobiliteit en de auto van de zaak. In Fleet&Mobility beantwoordt hij vragen van lezers. Ook een vraag over belastingzaken en uw mobiliteitsbeleid? Mail dan naar redactie@fleet-mobility.nl.